12.9.06

De Legende van Geraard de Duivel




Het verhaal van de zonen van de Duivel begint in 1213… Zeger de Tweede, burggraaf van Gent, wordt gezegend met een zoon. Hallellujah!

De zoon van Zeger de Tweede wordt Geraard Vilain genoemd. Op zijn dertiende verjaardag vraagt zijn vader hem mee op kruistocht te trekken. Op naar het Heilig Land!

‘Het zal mijn hardvochtige en ongemeen wrede zoon goed doen,’ denkt de vader. Maar Geraard weigert. En de volgende dag vindt men zijn vader dood in zijn bed.


‘Vermoord door zijn eigen vlees en bloed!’ fluistert men in de goede stad Gent. En voortaan noemt eenieder de nieuwe burggraaf van Gent ‘Geraard de Duivel’.

Geraard de Duivel laat een somber kasteel bouwen. Het Duivelsteen heeft dikke muren. Het Duivelsteen heeft een indrukwekkende Rode Toren. Het Duivelsteen heeft een crypte en daarboven twee naast elkaar gelegen hallen van elk twee verdiepingen, waarvan de gewelven gestut worden door zware ronde zuilen.

In het Duivelsteen brengt Geraard de Duivel zijn dagen door met braspartijen en gruweldaden. In het Duivelsteen schenkt zijn vrouw hem een zoon, die ook Geraard moet heten. De zoon heeft een even donkere huidskleur als de vader. En hetzelfde zwarte haar. Daarom wordt de zoon ‘Geraard de Moor’ genoemd. Of kortweg: ‘de Moor’.

Geraard de Duivel vindt het niet prettig dat hij zo bruin is van vel en zo zwart van haar. Maar daar kan hij zijn vrouw toch onmogelijk de schuld van geven? Hij kan het haar wel kwalijk nemen dat zijn zoon even bruin is van vel als hijzelf. En even zwart van haar. Daarom schopt hij haar dood. Hallellujah!

Korte tijd later worden Geraard de Duivel en Geraard de Moor verliefd op hetzelfde mooie meisje. Haar naam is Jacoba van Zottegem. De Duivel stuurt de Moor naar de Rode Toren, om er met twee schippers een reis naar Zeeuws-Vlaanderen te bespreken. In werkelijkheid moeten ze de Moor aan handen en voeten gebonden, in een zak, van de toren in het water te gooien.

De zoon vertrouwt de vader niet. In een herberg zet de Moor vrolijk de bloemetjes buiten. Wanneer de Duivel met de twee schippers een glas wil drinken op de goede afloop van de zaak en de schemerige trap van de Rode Toren bestijgt, denken de huurmoordenaars dat zij met de Moor te maken hebben. Ze slaan de vader bewusteloos en stoppen hem aan handen en voeten gebonden in een zak. En ze gooien de zak in het water. En dit is het voorlopige einde van Geraard de Duivel. Hallellujah!

Geraard de Moor sterft op het einde van de dertiende eeuw. Met hem sterft ook het riddergeslacht van het Duivelsteen. Maar zijn schanddaden en die van zijn vader leven voort. Het Duivelsteen is behekst, fluistert men in de goede stad Gent. Het Duivelsteen is een spookslot, waar vader en zoon elkaar rusteloos achtervolgen. En elke dertien jaar of zo wordt hij hier ergens opnieuw geboren. Een zoon van de Duivel...

In de veertiende eeuw wordt het Duivelsteen gekocht door de goede stad Gent. Daarna is het een ridderverblijf, een stapelplaats, een tuchthuis, een gevangenis, een klooster, een school. Een jonge vrouw, aan handen en voeten gebonden en in een leren zak gestopt, wordt van de Rode Toren in het water geworpen. Waarom en door wie vertelt het verhaal niet.


Ik heb haar schim gezien. Ook zij doolt nog steeds rond in het Duivelsteen. Men heeft haar al vaak waargenomen achter een van de dertien grote spitsboogvensters. Soms hoort men haar nog wel eens in het water plonzen. Al kan dat natuurlijk ook de Duivel zijn.

In 1623 wordt het Duivelsteen een ‘dolhuis’ voor krankzinnigen en een tehuis voor mannelijke wezen. En nu, tweehonderd jaar later, is mijn vader de baas van dit gekkenhuis, waar ik met mijn ellendige lotgenoten vastgeketend lig aan lenden, polsen en enkels, op vies stro dat krioelt van ratten, in vochtige en tochtige kerkers.

Als wij ons goed gedragen, kunnen we na verloop van tijd een eigen hok krijgen…

Geen opmerkingen:

Muzikaal uisterspel/audio drama/soundscape. Tekst: Patrick Bernauw. Muziek en geluidseffecten: Fernand Bernauw. Stem: Anton Cogen.